Met de rug naar het Carnaval

Carnaval is een gebeuren – want het is meer dan een feest – dat buiten mij om gaat. Ik kijk er elk jaar met verwondering naar en ook met een spoor van bewondering voor al die mensen die zich er helemaal aan overgeven, eigenlijk een topprestatie leveren als je hun inspanningen afzet tegen wat de Carnavalsvierder zo’n dertig, veertig jaar geleden van zichzelf vroeg. Nog los van het feit dat de aanloop naar die dolle, dwaze dagen ook al moordend is geworden. Want voor de echte Carnavalist is het vanaf de elfde van elfde nagenoeg elk weekend, drie avonden aaneen, echt prijs. Recepties, konkoursen, het bouwen van wagens voor de optocht, het lijkt maar niet op te houden, die opeenvolging van aktiviteiten die voorpret genoemd worden. Wat mij al niet in de kouwe kleren zou gaan zitten en een meer dan geldige reden is om me ver van al dat gedoe af te houden. Ik heb me ooit er nog wel eens aan gewaagd. Dat was in de tijd dat het Carnaval drie dagen duurde. Dat betekende dat het op de dinsdag om 12.00 uur ’s nachts einde verhaal was om vervolgens de gebruikelijke orde van de dag weer aan bod te laten komen. Wat wel zo overzichtelijk was, want het ging tenslotte nog om een intermezzo waar de dagelijkse sleur mee werd doorbroken.

Kom daar tegenwoordig maar eens om en wees tegelijk verbaasd dat die drie dagen van vroeger al tot een ver verleden horen en nu uitgebreid zijn tot een zes, zeven dagen. Wat zoveel betekent dat al op donderdag begonnen wordt met het Auw Wieverbal, dat de opmaat vormt voor de vrijdag waarop de scholieren zich laten gelden. Waarna de zaterdag ook al geannexeerd is door de Vastelaovend, die zich vervolgens over de drie vaste dagen uitstrekt. Maar zoals al gezegd, is dat niet het einde van het verhaal, omdat dat namelijk op de woensdag wordt vervolgd met het heringe biete, terwijl op donderdagen de echte diehards, dus degenen die nooit ergens genoeg van krijgen, nog eens los kunnen gaan op het kasteleinsbal, dat meteen de aanzet vormt voor het weekend, als de glazen opnieuw gevuld en de kelen wederom gesmeerd moeten worden in het kader van het perpetuum mobile dat het feestvieren en uitgaan is geworden en waarvan het Carnaval nog slechts een intermezzo vormt. Wat dus de precieze reden is dat ik dat hele gebeuren met graagte langs mij heen laat gaan en waar het mij aan zou kunnen raken, meteen van mij af laat glijden.

Over robschimmert

een senior met een brede belangstelling en een sterke maatschappelijke betrokkenheid, die daaraan op schrift en in de vorm van een weblog vooral uitdrukking wil geven.
Dit bericht werd geplaatst in Limburg en getagged met , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

3 reacties op Met de rug naar het Carnaval

  1. Sjoerd zegt:

    Ooit heb ik nog in de raad van elf gezeten, en ben nog steeds overal welkom. Alleen was na de dood van mijn schoonvader, een echte rascarnavalist de sju eraf… Toch mag ik nog overal ongestoord naar binnen, foto’s maken, en drinken we nog wel eens een pint ergens.

  2. Laurent zegt:

    Ja en van dat vasten daarna komt dus helemaal niks.

  3. Mack zegt:

    Ik kan maar vier pilsjes op dus carnaval is niks voor mij.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s