‘Zondag’

Met Nijhoff, Marsman, Roland Holst en Achterberg kan hij gerekend worden tot de grote dichters van de Nederlandse taal in de twintigste eeuw. Die erkenning en ook het respect daarvoor kreeg J.C. Bloem (1887 – 1966) al bij zijn leven ondanks dat hij daaraan, zeker gemeten naar de nu geldende tijdgeest, op een heel omstreden wijze invulling aan gaf met zijn uitgesproken voorkeur voor jonge meisjes, zijn alcoholisme en zijn innige verhouding tot het fascisme en nationaal-socialisme. Dat weerhield hem er niet van om fraaie, welluidende gedichten te schrijven zoals dit toepasselijke “Zondag“:

De stilte, nu de klokken doven,
Wordt hoorbaar over zondags land
En dorpse woningen, waarboven
Een schelpenkleurge hemel spant

De jeugd keert weer voor d’ in gedachten
Verzonkene, die zich hervindt
Een warm, van onbestemd verwachten,
In zondagsstilte eenzelvig kind.

En tussen toen en nu: ’t verwarde
Bestaan, dat steeds zijn heil verdreef;
De scherpe dagen, waar de flarde
Van ’t wonde hart aan hangen bleef.

Niet te verzoenen is het leven.
Ten einde is dit wellicht nog ’t meest:
Te kunnen zeggen: het is even
Tussen twee stilten luid geweest.

Over robschimmert

een senior met een brede belangstelling en een sterke maatschappelijke betrokkenheid, die daaraan op schrift en in de vorm van een weblog vooral uitdrukking wil geven.
Dit bericht werd geplaatst in Gedichten en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s